Basisvaardigheden volwassenen

Actieprogramma Tel mee met Taal 2020 – 2024: Aanpak Laaggeletterdheid Volwassenen

Deze pagina biedt een uitleg van het landelijk actieprogramma Tel mee met Taal 2020 – 2024.
Inhoudsblok
Inhoud
  1. Inleiding
  2. Hoofddoelstellingen en rijksbudget
  3. Volwasseneneducatie
  4. Stichting Lezen en Schrijven
  5. Expertisepunt Basisvaardigheden
  6. Impulssubsidies
  7. Taalhuizen
  8. Beleidsmonitor aanpak laaggeletterdheid

Colofon

1   Inleiding

Het landelijk actieprogramma Tel mee met Taal 2020 – 2024 is een gezamenlijk initiatief van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Het doel is een vaardiger Nederland opdat zoveel mogelijk mensen de basisvaardigheden hebben om mee te doen in onze samenleving. Het gaat om taal, rekenen en digitale vaardigheden.

Het vijfjarige actieprogramma is relevant voor de Netwerkagenda Openbare Bibliotheekvoorzieningen 2021 – 2023. Het bestrijkt 3 maatschappelijke opgaven in de Agenda:

  • Geletterde samenleving
  • Participatie in de informatiesamenleving
  • Leven Lang Ontwikkelen

Tel mee met Taal richt zich op alle leeftijdsgroepen. Deze pagina richt zich op de leeftijdsgroep 18+ (volwassenen). Daarbij gaat vooral aandacht uit naar de onderdelen die voor de bibliotheeksector relevant zijn. De informatie is vooral bestemd voor directie en management van de bibliotheeksector.

2   Hoofddoelstellingen en rijksbudget

2.1  Hoofdoelstellingen

  • Meer laaggeletterde mensen bereiken met een aanpak op maat.
  • Weten wat werkt; meer inzicht in kwaliteit en effect.
  • Samen aan de slag voor een vaardiger Nederland; meer gemeenten, werkgevers en maatschappelijke organisaties actief: voor kinderen en volwassenen.
Meer informatie

2.2 Rijksbudget

De rijksoverheid stelt gedurende de looptijd van het actieprogramma ruim 90 miljoen euro per jaar beschikbaar. Voor 2021 bedraagt het rijksbudget 92,325 miljoen euro voor onderstaande posten:

Structureel budget volwasseneneducatie

  • Budget voor opleidingen taal, rekenen en digitale vaardigheden (WEB-gelden): 62,2 miljoen euro

Impulsbudget SZW, VWS, BZK en OCW

  • Extra budget voor gemeenten voor bestuursafspraken: 5,5 miljoen euro
  • Inhoudelijke en praktische ondersteuning voor gemeenten: 7,55 miljoen euro
  • Landelijke campagne en extra impuls om meer mensen te bereiken: 1,5 miljoen euro
  • Stimuleren leesbevordering en leesplezier: 2,85 miljoen euro
  • Stimuleren lezen en leren bij laaggeletterde gezinnen: 1,3 miljoen euro
  • Cursussen basisvaardigheden op de werkvloer: 8,8 miljoen euro
  • Experimenten: 0,625 miljoen euro
  • Kwaliteitsverbetering Taalhuizen: 0,5 miljoen euro
  • Expertisecentrum Basisvaardigheden: 0,9 miljoen euro
  • Communicatie, evenementen en monitoring: 0,6 miljoen euro

3   Volwasseneneducatie

De volwasseneneducatie valt onder de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). In het kader van deze wet stelt het Rijk jaarlijks een budget beschikbaar voor opleidingen taal, rekenen en digitale vaardigheden aan volwassenen. Voor 2021 bedraagt het reguliere WEB-budget 62,2 miljoen euro. Daarnaast is er een extra WEB-budget van 5,5 miljoen euro beschikbaar voor administratie, coördinatie, werving en deskundigheidsbevordering. De WEB-gelden worden op basis van een verdeelsleutel (inwoneraantal, aantal inwoners met een migratie-achtergrond en dergelijke) uitgekeerd aan de gemeenten. De gemeenten voeren vervolgens zelf de regie over de besteding van het regionale WEB-budget.

Meer informatie

3.1  Gemeentelijke regievoering

Nederland telt 35 arbeidsmarktregio’s. Elke arbeidsmarktregio heeft een contactgemeente. Elke contactgemeente heeft de volgende taken en verantwoordelijkheden:

  • De regionale WEB-middelen ontvangen van het Rijk. Voor 2021 is dat 62,5 miljoen euro in totaal.
  • Een extra budget ontvangen voor administratie, coördinatie, werving en deskundigheidsbevordering. Voor 2021 is dat 5,5 miljoen euro in totaal.
  • De WEB-middelen verdelen over de gemeenten binnen de eigen regio. Elke gemeente kan op basis van een verdeelsleutel (onder meer inwoneraantal, aantal mensen met een migratieachtergrond) aanspraak maken op een percentage van het regionale educatiebudget.   
  • Een samenwerkingsovereenkomst opstellen met de gemeenten binnen de regio.  
  • Een regionaal educatieprogramma opstellen.
  • De inkoop verzorgen van volwasseneneducatie met aanbestedingen en subsidieregelingen. Het College van B&W moet deze vaststellen.
  • Verantwoording afleggen aan het Rijk voor een juiste besteding van het regionale budget.

Elke gemeente heeft de volgende taken en verantwoordelijkheden:

  • Kennis hebben van de educatiebehoefte van de inwoners.
  • Kennis hebben van de lokale aanbieders van educatie.
  • Verantwoordelijk zijn voor de volwasseneneducatie binnen de eigen gemeente.
  • Verantwoordingsinformatie leveren die de contactgemeente nodig heeft voor de verantwoording aan het Rijk.
  • Bepalen of zij al dan niet een eigen financiële bijdrage van deelnemers vragen.

3.2 Overzicht arbeidsmarktregio’s, contactgemeenten en educatiebudget 2021

 

 

Arbeidsmarktregio

Contactgemeente

Regulier WEB-budget

Extra WEB-budget

1

Groningen

Groningen

2.548.637

181.985

2

Friesland

Leeuwarden

1.998.688

164.293

3

Noord-Holland (Noord)

Alkmaar

1.804.041

158.032

4

Drenthe

Emmen

845.001

127.182

5

Regio Zwolle

Zwolle

1.297.654

141.743

6

Flevoland

Almere

1.655.671

153.259

7

Zaanstreek/Waterland

Zaanstad

1.204.378

138.742

8

Zuid-Kennemerland en IJmond

Haarlem

1.234.151

139.700

9

Twente

Enschede

2.091.440

167.277

10

Groot-Amsterdam

Amsterdam

6.759.862

317.450

11

Stedendriehoek en Noordwest Veluwe

Apeldoorn

1.771.430

159.983

12

Gooi en Vechtstreek

Hilversum

749.075

124.096

13

Holland Rijnland

Leiden 

1.492.130

147.999

14

Midden-Utrecht

Utrecht

2.710.828

187.201

15

Amersfoort

Amersfoort

929.641

129.904

16

Food Valley

Ede

821.249

126.418

17

Achterhoek

Doetinchem

737.435

123.722

18

Zuid-Holland Centraal

Zoetermeer

1.172.621

137.721

19

Midden-Holland

Gouda

673.146

121.654

20

Haaglanden

’s-Gravenhage

4.645.206

249.426

21

Midden-Gelderland

Arnhem

1.535.908

149.407

22

Rijnmond

Rotterdam

7.732.504

337.157

23

Rivierenland

Tiel

696.982

122.420

24

Gorinchem

Gorinchem

429.359

113.812

25

Rijk van Nijmegen

Nijmegen

1.103.898

135.510

26

Drechtsteden

Dordrecht

1.010.200

132.496

27

Noordoost-Brabant

’s Hertogenbosch

1.726.870

155.550

28

West-Brabant

Breda

2.164.742

169.635

29

Zeeland

Goes

1.109.256

135.682

30

Midden-Brabant

Tilburg

1.601.857

151.528

31

Noord-Limburg

Venlo

879.819

128.302

32

Helmond-De Peel

Helmond

805.314

125.905

33

Zuidoost-Brabant

Eindhoven

1.739.239

155.947

34

Midden-Limburg

Roermond

708.348

122.786

35

Zuid-Limburg

Heerlen 

2.147.379

169.076

 

Totaal

 

62.174.000

5.500.000

Meer informatie

3.3  Regionaal educatieprogramma

De contactgemeente is verplicht om in overleg met de gemeenten een regionaal educatieprogramma op te stellen. Belangrijke aandachtspunten zijn:

  • Het moet een ambitieus plan zijn, met speerpunten en prioriteiten (eventueel per gemeente en subregio)
  • Het bevat een analyse van aard en omvang van de problematiek
  • Het toont de educatieve vraag van de diverse doelgroepen en het onderwijsaanbod
  • Het omvat de afstemming tussen formeel en non-formeel onderwijs
  • Het bevat de hoogte van het WEB-budget, de verdeling van de gelden en een bijbehorende begroting 
  • Het omschrijft de wijze van inkoop (aanbesteding en subsidieregeling)
  • Het omvat kwaliteitsbeleid, monitoring en verantwoording

Model-format regionale educatieprogramma’s

De VNG heeft een format beschikbaar voor regionale educatieprogramma’s.

Overzicht regionale educatieprogramma’s

Inmiddels hebben de meeste arbeidsmarktregio’s een regionaal educatieprogramma. Op de website van het Expertisecentrum Basisvaardigheden staat een overzicht van regionale educatieprogramma's.

3.4  Specifieke doeluitkering

Het WEB-budget is een specifieke doeluitkering. Het gaat om geoormerkt geld dat alleen kan worden ingezet voor opleidingen taal, rekenen en digitale vaardigheden. Deze opleidingen (zowel de formele als non-formele trajecten) dienen gebaseerd te zijn op de landelijk vastgestelde Standaarden en Eindtermen Volwasseneneducatie. Hierin worden de niveaus van taal, rekenen en digitale vaardigheden beschreven. Het WEB-budget is bestemd voor onderwijs aan volwassenen (18+). Mensen met een inburgeringplicht mogen geen gebruik maken van met WEB-geld bekostigd onderwijs. Voor inburgering is er een ander budget.

3.5  Marktwerking

Tot 2014 was er sprake van gedwongen winkelnering: de gemeenten konden alleen volwasseneneducatie inkopen bij het ROC. Deze verplichting is losgelaten en er is nu vrije marktwerking. Zowel onderwijsaanbieders zonder winstoogmerk (bijvoorbeeld ROC’s en bibliotheken) als onderwijsaanbieders met winstoogmerk (de zogeheten private taalaanbieders) mogen volwasseneneducatie aanbieden. De vrije marktwerking geldt zowel voor formeel als non-formeel onderwijs. Zowel gecertificeerde als niet-gecertificeerde onderwijsaanbieders komen in aanmerking voor WEB-financiering. De inkoop door de gemeenten gebeurt via aanbestedingen en subsidieregelingen, die het College van B&W van de contactgemeente vaststelt. De Onderwijsinspectie bewaakt de kwaliteit van het formele aanbod. De gemeente dient de kwaliteit van het non-formele aanbod te bewaken.

3.6  Formeel en non-formeel onderwijs

In de volwasseneneducatie wordt onderscheid gemaakt tussen formeel onderwijs en non-formeel onderwijs.

Formeel onderwijs

Formeel onderwijs is diplomagericht en wordt uitgevoerd door gecertificeerde onderwijsaanbieders. Dit kunnen zijn:

  • Onderwijsaanbieders met DUO-diploma-erkenning. Deze staan onder toezicht van de Onderwijsinspectie.
  • Onderwijsaanbieders met het Blik op Werk-keurmerk. Dit keurmerk wordt gebruikt voor het inburgeringsonderwijs.
Meer informatie

Non-formeel onderwijs

Non-formeel onderwijs is niet diplomagericht. Bij non-formeel onderwijs door gecertificeerde aanbieders is het onderwijs gericht op niveauverhoging. De deelnemers krijgen begeleiding van professionele docenten, die eventueel worden bijgestaan door vrijwilligers.

Niet-gecertificeerde aanbieders richten de educatie op ondersteuning, oefenen en vaardigheden in praktijk brengen. Getrainde vrijwilligers verzorgen de educatieve activiteiten. Zij worden veelal aangestuurd door een professionele docent. Deze vorm van non-formeel onderwijs heet ook wel taalcoaching. Indien bij taalcoaching gerefereerd wordt aan de Standaarden en Eindtermen voor de Volwasseneneducatie, is het mogelijk om deze vanuit het WEB-budget te financieren. Het is aan de betreffende gemeente om te beoordelen of de taalcoaching voldoet aan de voorwaarden voor WEB-financiering.

Meer informatie

Bibliotheken

Bibliotheken gelden als aanbieders van non-formele volwasseneneducatie. Zij komen daarom in aanmerking voor financiering vanuit het WEB-budget, mits zij voldoen aan de voorwaarden, zoals:

  • Trajecten taal-, reken- en digitale vaardigheden moeten refereren naar de Standaarden en Eindtermen Volwasseneneducatie
  • Volwassenen die wonen in de desbetreffende gemeente
  • Geen deelname van verplichte inburgeraars
  • Monitoring en verantwoordingsplicht
  • Overige eisen zoals gesteld in de gemeentelijke aanbesteding of subsidieregeling

Ongeveer de helft van de openbare bibliotheken ontvangt subsidie vanuit het WEB-budget. Voor bibliotheken die een beroep willen doen op WEB-gelden, is het van belang om opgenomen te worden in het regionale en lokale educatieprogramma. De rol van de bibliotheek en andere aanbieders van non-formele educatie bij de regionale en lokale aanpak van laaggeletterdheid wordt besproken in de VNG-handreiking De Transitie van Educatie naar het Sociaal Domein (2014).

3.7  Doelgroepen

In 2016 heeft de Algemene Rekenkamer een schatting gemaakt van het aantal laaggeletterde volwassenen in Nederland: 2,5 miljoen. Het gaat om een heterogene doelgroep waarin laagopgeleiden, ouderen en mensen met een migratieachtergrond oververtegenwoordigd zijn. Laaggeletterde volwassenen van Nederlandse komaf zijn evenwel in aantal ver in de meerderheid. Laaggeletterden hebben moeite met alledaagse taken op het gebied van taal, rekenen en/of digitale vaardigheden. Laaggeletterdheid gaat veelal gepaard met een lager inkomen, een onzekere werk- en inkomenssituatie, een onaantrekkelijke woonomgeving, schulden en gezondheidsproblemen.

Geletterdheid InZicht

Gemeenten kunnen bij de aanpak van laaggeletterdheid de onderzoeksgegevens van Geletterdheid InZicht gebruiken die bekend zijn over de doelgroep in hun arbeidsregio of gemeente. Het gaat onder meer om aantallen, percentages, spreiding, subgroepen en profielen. 

Wervingsmethodiek KLASSE!

De meeste laaggeletterde volwassenen zijn Nederlandssprekend (NT1). De deelname aan de volwasseneneducatie door deze groep is echter betrekkelijk gering. Daarom hoort het bereiken van deze doelgroep tot een van de speerpunten van Tel mee met Taal. Voor deze zogeheten NT1-groep is de wervingsmethodiek KLASSE! beschikbaar.

Meer informatie

3.8  Standaarden en eindtermen volwasseneneducatie

Voor volwasseneneducatie gelden wettelijke standaarden en eindtermen voor taal, rekenen en digitale vaardigheden. Deze zijn uitgewerkt op drie niveaus: Instroom, 1F en 2F. Zij zijn gebaseerd op het Referentiekader taal en rekenen (Meijerink 2010). Per niveau en vaardigheid zijn functionele taken benoemd die volwassenen tegenkomen in het dagelijks leven, op het werk of in een opleiding. De standaarden en eindtermen worden gebruikt als meetlat om te bepalen op welk niveau een deelnemer zich bevindt of welk niveau een bepaalde taak heeft. De leervraag van de deelnemer bepaalt aan welke eindtermen wordt gewerkt, op welk niveau, met welke materialen en in welk tempo. Door de gedetailleerde beschrijvingen van de niveaus per (sub)vaardigheid is het mogelijk de voortgang van de deelnemer te beoordelen.

Bij het inburgeringsonderwijs wordt gebruik gemaakt van het Raamwerk Nederlands (NT2). Dit onderscheidt 6 niveaus: A1 tot en met C2.

Overzicht van de taalniveaus voor NT1 en NT2

 

Instap-onderwijs

Moedertaal (NT1)

Tweede taal (NT2)

Rekenen

Digitale vaardigheden

 

Instroom

A1

Instroom

Instroom

Basisschool (eind)

1F

A2

1F

Basisniveau 1

MBO

2F

B1

2F

Basisniveau 2

HBO

3F

C1

3F

 

WO

4F

C1

4F

 

WO

 

C2

 

 

Meer informatie

3.9  Monitoring

Tezamen met het kwaliteitsbeleid behoort de monitoring tot de speerpunten van het landelijke actieprogramma Tel mee met Taal.

Landelijke output-monitor

Het plan is dat het CBS halverwege de projectperiode start met een eerste landelijke output-monitor. De dataset is beperkt om de administratieve lasten te beperken:

  • Aantal deelnemers
  • Geslacht
  • Leeftijd 
  • NT1/2
  • Postcode/gemeente
  • Type cursus/aanbod

De nieuwe output-monitor is bedoeld om gemeenten te helpen bij hun regiefunctie. Tevens geeft die de landelijke politiek inzicht in de resultaten van de aanpak van laaggeletterdheid. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de aanlevering van gegevens. Het CBS vraagt voor de landelijke monitor geen persoonsgegevens.

Meer informatie

Landelijke outcome-monitor

Gemeenten kunnen de Monitor volwasseneneducatie van Unesco-hoogleraar Laaggeletterdheid Maurice de Greef (Qwasp B.V.) gebruiken om de outcome c.q. impact te meten van educatietrajecten: mate van participatie, trede op participatieladder, niveauverhoging en dergelijke. Dit om de kwaliteit van de educatie te bewaken en beter educatie in te kunnen kopen. De deelname van gemeenten aan deze monitor is niet verplicht, maar als er voldoende gemeenten deelnemen, ontstaat er een landelijk beeld van de outcome van zowel de formele als de non-formele educatietrajecten.

Meer informatie

Bibliotheekmonitor

De Koninklijke Bibliotheek (KB) biedt de Impactmonitor. Deze bevat modules die bibliotheken kunnen inzetten om de effecten te meten van de geboden educatie. Zij kunnen de monitor gebruiken bij de verantwoording aan de gemeente, indien deze daarmee akkoord gaat. Zie de KB Impactmonitor.

3.10  Handreikingen en handboek

Handreiking regierol

Met de invoering van de marktwerking kregen de gemeenten de regierol voor de volwasseneneducatie. Ter ondersteuning hiervan verscheen de VNG-handreiking De Transitie van Educatie naar het Sociaal Domein (2016). Deze handreiking bevat onder meer informatie over het maken van het regionale en lokale educatieprogramma, de aanbesteding, inkoop, kwaliteit en monitoring.

Handreiking kwaliteitsbeleid

Kwaliteitsverbetering is een van de speerpunten van Tel mee met Taal. De Onderwijsinspectie ziet toe op de kwaliteit van de formele educatietrajecten. De gemeenten dienen echter zelf toe te zien op de kwaliteit van de non-formele trajecten. Als aanvulling op De Transitie van Educatie naar het Sociaal Domein verscheen onlangs de handreiking Kwaliteit bij de aanpak van laaggeletterdheid (2021) van Berenschot en het ITTA. Deze handreiking is bedoeld is om de gemeenten te ondersteunen bij het kwaliteitsbeleid voor het non-formele aanbod voor basisvaardigheden.

Handboek leren in de educatie

Het handboek Leren in de educatie: lesgeven, begeleiden en faciliteren is bestemd voor iedereen die in de volwasseneneducatie werkt. Het bevat 22 artikelen over de onderwijsdidactiek, doelgroep, kwaliteit van het onderwijs en het beleid.

4   Stichting Lezen en Schrijven

Stichting Lezen en Schrijven is in 2004 opgericht op initiatief van prinses Laurentien, met als doel om zoveel mogelijk partijen te verbinden op het gebied van laaggeletterdheid. De Stichting zet zich in “voor iedereen die moeite heeft met lezen, schrijven en rekenen en daardoor ook moeite heeft met een computer of een smartphone”. De achterliggende visie is dat “een samenleving sterker wordt als iedereen kan meedoen”. De Stichting streeft ernaar dat:

  • Volwassenen op hun eigen niveau en in hun eigen buurt kunnen en mogen leren.
  • Kinderen goed kunnen lezen, schrijven en rekenen als ze van school komen. En moeite met lezen en schrijven niet meer doorgegeven wordt van ouder op kind.
  • Overheden, bedrijven en organisaties eenvoudig communiceren en zo toegankelijk zijn voor iedereen.
  • Overheden, bedrijven en organisaties goed samenwerken met elkaar.

Lezen en Schrijven wordt grotendeels gefinancierd vanuit het rijksbudget van het actieprogramma Tel mee met Taal. Jaarlijks gaat het om ongeveer 9 miljoen euro. De stichting ondersteunt honderden organisaties met scholing, onderzoek, (les)materiaal, advies en campagnes. Daartoe behoren ook gemeenten, bibliotheken en taalhuizen.

4.1  Speerpunten

Lezen en Schrijven heeft voor de komende vier jaren als speerpunten:

  • Kennis over laaggeletterdheid verzamelen en delen.
  • Samen met haar partners iedereen die niet goed kan lezen, schrijven, rekenen of omgaan met digitale informatie scholing bieden om dit alsnog te leren.
  • Actief werken aan het voorkomen van laaggeletterdheid. Dit doet zij door het belang van lezen onder de aandacht te brengen en (voor)lezen te stimuleren bij kinderen en jonge ouders.
  • Zoveel mogelijk mensen bewust maken dat 2,5 miljoen mensen laaggeletterd zijn. En dat daar iets aan gedaan moet worden. Zij noemt dit agendering.

4.2  Leescoalitie

Lezen en Schrijven maakt deel uit van de Leescoalitie. Deze bestaat verder uit Stichting Lezen (voorzitter), de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB), het Literatuurmuseum/Kinderboekenmuseum, de Koninklijke Bibliotheek (KB), de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) en het Nederlands Letterenfonds. Bij de start van de Leescoalitie in november 2012 benadrukte prinses Laurentien het belang van een gezamenlijke aanpak van leesbevordering. Dit ter preventie van taalachterstand en laaggeletterdheid.  In 2020 en 2021 loopt de campagne Lees voort!.

4.3  Ondersteuning gemeentelijke regievoering

Gemeenten kunnen voor ondersteuning bij hun regievoering van de volwasseneneducatie een beroep doen op Lezen en Schrijven. De ondersteuning betreft beleidsontwikkeling, beleidsuitvoering, kennis en innovatie. Vrijwel alle gemeenten maken gebruik van deze ondersteuning. In alle 35 arbeidsmarktregio’s werken onafhankelijke regio-adviseurs. Zij hebben onder meer de contactgemeenten ondersteund bij het maken van de regionale educatieprogramma’s. Men streeft ernaar dat gemeenten in de toekomst weinig tot geen ondersteuning meer behoeven, en op eigen kracht de regie kunnen voeren.

5   Expertisepunt Basisvaardigheden

Het Expertisepunt Basisvaardigheden is een partnerschap tussen Movisie en Stichting Lezen en Schrijven. Het is in 2021 van start gegaan. Jaarlijks is er vanuit Tel mee met Taal 0,9 miljoen euro beschikbaar. Het beoogt een onafhankelijk knooppunt te zijn voor de uitwisseling van kennis, kunde en ervaringen op het gebied van laaggeletterdheid. Het is bestemd voor iedereen die betrokken is bij de aanpak van laaggeletterdheid. Tot de doelgroep behoren onder meer gemeenten, werkgevers, maatschappelijke organisaties, bibliotheken, docenten en vrijwilligers. Er zijn 4 focusgebieden:

  • Vraagbaak
  • Kwaliteit
  • Onderzoek
  • Net­werk

Het Expertisepunt Basisvaardigheden werkt samen met experts met wetenschappelijke, professionele en ervaringskennis. Het publiceert jaarlijks een onderzoekagenda, waarna men voor de gekozen onderzoeksthema’s subsidies kan aanvragen. Voor 2021 waren de onderzoekthema’s gezinsaanpak en de professionalisering van sociaal werkers en ervaringsdeskundigen.

6   Impulssubsidies

Naast het WEB-budget voor gemeenten zijn er via Tel mee met Taal jaarlijks 3 extra subsidies beschikbaar voor activiteiten gericht op het voorkomen en verminderen van laaggeletterdheid. De aanvraagronde voor 2021 is gesloten. Voor 2022 is er een nieuw aanvraagronde.

6.1  Subsidie voor werkgevers

Werkgevers kunnen subsidie aanvragen voor basisvaardigheden op de werkvloer. De scholing moet leiden tot een betere taalvaardigheid, rekenvaardigheid en/of betere digitale vaardigheden van de werknemers (inclusief tijdelijke werknemers en zzp’ers die voor het bedrijf werken). Het maakt niet uit of de werknemer Nederlands als moedertaal heeft of dat het gaat om een (arbeids-)migrant. De subsidie voor werkgevers mag alleen ingezet worden voor werknemers met een taalniveau lager dan het referentieniveau 2F. Jaarlijks gaat het om een totaalbedrag van 8,8 miljoen euro.

6.2  Subsidie voor ouders

Scholen, kinderdagverblijven, bibliotheken en allerlei andere organisaties kunnen subsidie aanvragen om laaggeletterde ouders te ondersteunen. Er zijn 2 subsidiestromen:

  • Subsidie voor een cursus taal, rekenen of digitale vaardigheden voor ouders met een taalniveau lager dan 2F.
  • Subsidie voor activiteiten die bijdragen aan het stimuleren van educatief partnerschap en het bevorderen van een educatief thuismilieu. Denk hierbij aan activiteiten die een meer talige thuisomgeving stimuleren. Bijvoorbeeld ondersteunen bij (voor)lezen. Of meer betrokkenheid van ouders creëren bij de taalontwikkeling van hun kind.

Organisaties kunnen subsidie voor ouders aanvragen samen met ten minste 2 andere partijen, waaronder in ieder geval een lokale bibliotheek, een instelling die de jeugdgezondheidszorg uitvoert, een onderwijsinstelling of een voorschoolse voorziening. Een gemeente moet de aanvraag ondersteunen. Jaarlijks gaat het om een totaalbedrag van 1,3 miljoen euro.

6.3  Subsidie voor experimenten

De subsidie voor experimenten is bedoeld voor korte en praktijkgerichte experimenten om laaggeletterde mensen beter te bereiken en om de kwaliteit van het cursusaanbod te verhogen. Verschillende (typen) organisaties kunnen een aanvraag indienen. Een gemeente moet de aanvraag ondersteunen. Voor de jaren 2021 en 2022 is er jaarlijks 625.000 euro beschikbaar.

7   Taalhuizen

Taalhuizen zijn een belangrijk instrument bij de aanpak van laaggeletterdheid. Vandaar dat ze zijn opgenomen in het actieprogramma Tel mee met Taal. Het gaat jaarlijks om een bedrag van een 0,5 miljoen voor de certificering van Taalhuizen om de kwaliteit te verbeteren. De certificering wordt uitgevoerd door de Certificeringsorganisatie Bibliotheekwerk, Cultuur en Taal (CBCT). Het streven is om binnen 4 jaar alle naar schatting 200 Taalhuizen gecertificeerd te hebben.

Voor een Taalhuis of Digi-Taalhuis wordt de volgende definitie gehanteerd: “Een (Digi)Taalhuis is een samenwerkingsverband van verschillende lokale organisaties die in opdracht van de gemeente en samen met de gemeente werken aan een integrale aanpak van laaggeletterdheid en overige basisvaardigheden. Een of meer van de partners heeft een aanbod van basisvaardigheden. Dit aanbod kan informeel, non-formeel of formeel zijn en aangeboden worden door publieke of private partners.”  

7.1  Dienstverlening

Een Taalhuis omvat doorgaans deze dienstverlening:  

  • Een laagdrempelige, aparte en herkenbare fysieke plek in een bibliotheek, buurthuis of wijkgebouw
  • Een basiscollectie (papier en digitaal) van oefenmaterialen, leermiddelen, leesboeken en achtergrondliteratuur
  • Oefenplekken met computers
  • Zitgelegenheid voor taalmaatjes en voor groepswerk
  • Een ruimte voor groepsbijeenkomsten
  • Begeleiding door geschoolde vrijwilligers
  • Overzicht van het lokale cursusaanbod basisvaardigheden
  • Taalspreekuren voor informatie en advies aan taalvragers en doorverwijzing naar aanbieders van basisvaardigheden met het voor hen meest passende aanbod
  • Spreekuren voor aanmelding, voorlichting en advies voor mensen die geïnteresseerd zijn in vrijwilligerswerk

7.2  Samenwerkingspartners

In het samenwerkingsverband kunnen onder meer participeren: het ROC, de Volksuniversiteit, private taalaanbieders, vrijwilligersorganisaties (Gilde Samenspraak, Humanitas, SeniorWeb en dergelijke), zorg- en welzijnsinstellingen, buurthuizen, wijkteams, uitkeringsinstanties (Sociale dienst en UWV), schuldhulp-organisaties, voedselbanken en bedrijven die een inclusieve arbeidsmarkt voorstaan. De openbare bibliotheek treedt veelal op als de trekker van het samenwerkingswerkingsverband en levert vaak de Taalhuis-coördinator.

7.3  Toetsingsprocedure 

Bij de toetsing van het Taalhuis worden 7 normen gehanteerd: Beleid en financiën, Middelen, Samenwerking, Mensen, Producten en diensten, Resultaten en maatschappelijk effect, Handelen conform (privacy)wetgeving. Het kwaliteitskader moet inzicht bieden in de toekomstbestendigheid en in het maatschappelijke effect dat ze sorteren. Taalhuizen hebben zo een rapport in handen waarmee ze hun stakeholders kunnen laten zien waar ze staan en op basis waarvan ze zich kunnen doorontwikkelen. Daarnaast helpt het de gemeenten om inzicht te krijgen in gestelde ambities.

7.4  Voorwaarden voor toetsing

Digi-Taalhuizen die voor certificering in aanmerking willen komen, moeten voldoen aan de volgende criteria:

  • Een samenwerkingsverband waarin ten minste een aanbieder van basisvaardigheden is vertegenwoordigd.
  • Een stuurgroep waarin naast de samenwerkingspartners ook de gemeente als opdrachtgever zitting heeft.
  • Een samenwerkingsovereenkomst/convenant waarin de taken en verantwoordelijkheden van de stuurgroep zijn beschreven.
  • Een (meerjaren)beleidsplan met de beschrijving van de taken en beoogde resultaten van het Digi-Taalhuis. Minimaal dienen te zijn opgenomen: het inhoudelijk werkplan, de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van alle betrokkenen bij het Digi-Taalhuis, en de financiële dekking.

In het beleids- en werkplan dienen de volgende zaken te zijn uitgewerkt: fysieke huisvesting, werving, doorverwijzing, intake, monitoring, privacybescherming, de inzet van professionals (Taalhuis-coördinator en docenten) en van vrijwilligers, effect- en impactmeting en verantwoording.

Meer informatie

8   Beleidsmonitor aanpak laaggeletterdheid

Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ECBO) en beleidsonderzoeksbureau Ockham Institute for Policy Support (Ockham IPS) onderzoeken samen van 2020 tot 2024 de implementatie en de effecten van de beleidsmaatregelen van het actieprogramma Tel mee met Taal.

  • Het ECBO is expert op het gebied van meerjarig onafhankelijk beleidsonderzoek en monitoring, met jarenlange ervaring in onderzoek naar basisvaardigheden.
  • Ockham IPS is een Nederlands beleidsonderzoeksbureau met een uitgebreide expertise op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt en een leven lang ontwikkelen.

Op basis van de onderzoeksuitkomsten beoordelen de onderzoekers:

  • in hoeverre de beleidsmaatregelen bijdragen aan de hoofddoelstellingen van het programma Tel mee met Taal
  • of de middelen goed worden besteed
  • en welke lessen hieruit getrokken kunnen worden

De onderzoekers delen regelmatig hun tussentijdse bevindingen op onder meer de website van ECBO en maken een uitgebreid eindrapport. Klik voor de eerste resultaten.

Colofon

Samensteller: Thomas Bersee 
Redactie: Maaike Toonen, Karin Ottenhoff en Stephanie Verhagen
Uitgave: Koninklijke Bibliotheek
Datum: november 2021