Informatie voor het bibliotheeknetwerk

Netwerkagenda: interview met Clinton Feurich (Bibliotheek Haarlemmermeer) & Ineke Goedhart (Probiblio)

Nieuwsbericht
8 februari 2021
In oktober 2020 werd het Bibliotheekconvenant 2020-2023 van kracht. De daarin geformuleerde maatschappelijke uitdagingen en randvoorwaarden vinden hun concrete uitwerking in de Netwerkagenda. In twaalf programmateams komen experts uit het veld samen om binnen elk van deze thema’s stappen te zetten. Deze week is het woord aan Clinton Feurich, directeur van de Bibliotheek Haarlemmermeer, onderdeel van Het Cultuurgebouw, en Ineke Goedhart, netwerkadviseur digitale infrastructuur bij Probiblio, die zich samen hard maken voor de landelijke digitale infrastructuur die in de Netwerkagenda een fundamentele rol speelt.
Inhoudsblokken

Liefde voor ict

Clinton Feurich en Ineke Goedhart hebben ieder hun eigen reden om enthousiast te worden van de prominente plaats die de digitale netwerkinfrastructuur inneemt in de Netwerkagenda. Zo is Feurich afkomstig uit de automatiseringswereld, waar hij zich richtte op de processen binnen de systemen die werden ontwikkeld. ‘Dankzij die achtergrond werd ik, zodra ik mijn entree maakte in de bibliotheeksector, direct bij alle automatiseringsprojecten betrokken,’ herinnert hij zich. ‘Ik mocht meteen nadenken over de strategie achter de ict-keuzes die binnen de branche worden gemaakt.’

Ineke Goedhart & Clinton Feurich

Zo kreeg hij ook deze portefeuille onder zijn hoede binnen het Cultuurgebouw, waar niet alleen de bibliotheek, maar ook het centrum voor kunst en cultuur, het theater, het filmhuis, het centrum voor popcultuur en het podium voor architectuur gehuisvest zijn. ‘Ik wil de automatisering in deze branche naar een hoger niveau tillen,’ vertelt Feurich. ‘Die stap is onmisbaar om onze dienstverlening te kunnen behouden én uitbreiden.’

In ons versnipperde bibliotheekveld missen we een integrale kijk op digitalisering, vindt Feurich. ‘We hebben jarenlang ieder voor zich gewerkt, en zijn daardoor niet efficiënt te werk gegaan, zowel in tijd als in geld,’ vindt hij. ‘Als we tien of twintig jaar geleden onze kennis hadden gebundeld, waren we nu een stuk verder geweest. Dan hadden we kunnen concurreren met Amazon en Bol.com, die lezers binnen enkele minuten tot kopen aanzetten. Dat gebruiksgemak zou ook ons doel moeten zijn. Laten we dus zo snel mogelijk deze Netwerkagenda implementeren om die verloren tijd in te halen.’

Wat is daar volgens Feurich voor nodig? ‘Zulke grote webwinkels worden ondersteund door een reusachtig netwerk aan zakelijke partners, die het aanbod aanzienlijk vergroten. De vraag van de klant wordt doorgezet naar de juiste partij, waardoor die nooit misgrijpt. Daar zouden wij binnenkort ook moeten staan. De fysieke dienstverlening van de bibliotheek is belangrijk, maar onze digitale dienstverlening moet net zo goed op peil zijn.’

Bol.com-ervaring

Goedhart kan zich alleen maar juichend achter Clinton scharen, geeft ze toe. ‘Voor de klant zou er in het hele land één bibliotheek moeten zijn, of dat nu fysiek of digitaal is. Van de veelheid aan partijen achter die dienstverlening zou een bezoeker niets moeten merkten. Ook daarbij kan de Netwerkagenda ons helpen. We mogen dan een branche zijn met decentrale financiering en aansturing, maar we moeten ons verenigen om de klant aan de voorkant een Bol.com-ervaring te kunnen bieden.’

Voor dat doel maakt Goedhart zich op dagelijkse basis hard in haar werk als netwerkadviseur bij Probiblio. Daarnaast coördineert ze de werkgroep van SPN die zich met de digitale infrastructuur van de bibliotheeksector bezighoudt, en is ze, net als Feurich, lid van de commissie digitaal van de VOB. ‘Ik ben hier al mee bezig sinds 2011, toen de eerste aanzet voor een landelijke digitale infrastructuur werd gedaan. Ik heb de leukste baan ter wereld: ik mag de vertaling maken van landelijk naar lokaal en andersom, en van functioneel naar technisch. Dankzij mijn opleiding als bibliothecaris en mijn ervaring in de keiharde ict begrijp ik waar het om gaat.’

Vanuit die hoedanigheid ziet ze dat de bundeling van krachten binnen de branche noodzakelijk is. ‘Natuurlijk moeten we eraan wennen. Elke partij heeft eigen vraagstukken en belangen. De KB heeft bijvoorbeeld de wettelijke opdracht gekregen zich te ontfermen over de digitale bibliotheek. Dat geldt niet voor bibliotheken en POI’s. Met zulke verschillen moeten we rekening houden.’

Ook Feurich is de laatste tijd steeds optimistischer geworden over de vormen die het netwerk begint aan te nemen. ‘Ik kijk weer positief naar de toekomst. Tijdens de gesprekken rondom de Netwerkagenda luistert men naar elkaar en laat iedereen de ander uitpraten. Er hangt een constructieve sfeer.’

Toch mogen de doelen van Feurich nog een stapje ambitieuzer. ‘Het collectief landelijk bibliotheeksysteem werkt bij voorkeur niet als een koppeling, maar als een complete integratie. Laten we niet allerlei aparte verantwoordelijkheden bij verschillende partijen beleggen, maar samen nadenken over het geheel. De KB mag vanuit de opgave van het ministerie van de verantwoordelijkheid hebben voor een landelijke digitale infrastructuur, dat betekent niet dat bibliotheken niet betrokken kunnen worden bij het beleid én de uitvoering. Ik heb goede hoop dat die toekomst voor ons ligt. Het opstellen van een gezamenlijk informatieplan, zoals ook genoemd in de Netwerkagenda, is daarbij een mooie eerste stap.’

Techniek faciliteert

De twee kregen het tijdens de KB/OB-directeurendag vorige week meermaals te horen: wat heeft ict precies te maken met de Netwerkagenda? ‘We moesten blijven uitleggen dat wij ons net zo goed achter de maatschappelijke opgaven van het Bibliotheekconvenant scharen,’ legt Goedhart uit. ‘Het is de techniek die dat moet faciliteren. Toch is er best wat nodig om die connectie voor collega’s concreet te maken. We moeten vooral geen abstract ict-verhaal vertellen, merken we, maar met voorbeelden komen om onze bijdrage te illustreren.’

Denk bijvoorbeeld aan de samenwerking met scholen: hoe intensief die ook is, een koppeling tussen het schoolsysteem en dat van de bibliotheek blijft ingewikkeld. ‘Het zou fantastisch zijn om het onderwijs ook te kunnen ondersteunen met analyses van het lenersgedrag van leerlingen,’ droomt Feurich. ‘Met zo’n koppeling kunnen we de beschikbare data dichter bij onze partners brengen. De schoolsystemen ontwikkelen zich in een rap tempo, en wij moeten daarin een plek krijgen.’

Denk bijvoorbeeld ook aan de bibliotheek als monitor van de stad: een verzamelplaats voor lokale informatie over temperatuur, luchtkwaliteit en het aantal parkeerplaatsen. ‘Ook die informatievoorzienende rol kan bij de bibliotheek worden belegd,’ ziet Goedhart. ‘Sterker nog: op steeds meer plaatsen gebeurt dat al. Vestigingen tonen in hun labs informatie die door gemeenten of burgers wordt verzameld. Daardoor komen ze sneller in actie om hun eigen leefomgeving zo goed mogelijk vorm te geven.’

Toch komen bij al dat koppelen ook risico’s kijken, ziet Feurich. ‘Denk bijvoorbeeld aan de rol van de bibliotheek in de samenwerking met de Belastingdienst. Wij kunnen burgers helpen met het invullen van hun aangiften, maar we zijn niet de Belastingdienst, zoals sommige klanten denken. Hoe onzichtbaarder de koppelingen tussen meerdere partijen, hoe groter het risico op zulke onduidelijkheden.’

In de ideale wereld van Goedhart en Feurich zouden die intensieve samenwerkingen zich ook op financieel vlak moeten terugverdienen. ‘Wanneer de bibliotheek een rol zo voortvarend oppakt, moet die daarvoor worden beloond,’ vindt Feurich. ‘Gelukkig valt ook een hoop te automatiseren, zodat er niet per se hogere personeelskosten hoeven te worden gemaakt. Bovendien: we kunnen ook niet alles zelf doen. We doen het juist met elkaar.’