Informatie voor het bibliotheeknetwerk

Netwerkagenda: interview met Klaas Gravesteijn (VOB) en Gerard Meijer (SPN)

Nieuwsbericht
18 januari 2021
In oktober 2020 werd het Bibliotheekconvenant 2020-2023 van kracht. De daarin geformuleerde maatschappelijke uitdagingen en randvoorwaarden vinden hun concrete uitwerking in de Netwerkagenda. In twaalf programmateams komen experts uit het veld samen om binnen elk van deze thema’s stappen te zetten. Deze week is het woord aan Klaas Gravesteijn, beleidsadviseur verenigingszaken bij de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB), en Gerard Meijer, programmamanager bij Stichting Samenwerkende POI’s Nederland (SPN), die samen hun schouders zetten onder de samenwerking die aan de Netwerkagenda ten grondslag ligt.
Inhoudsblokken

Landelijk en lokaal

Het is geen gemakkelijke opgave: zo’n complexe sector als die van de bibliotheek mobiliseren om samen de schouders te zetten onder een gezamenlijk manifest. En niet alleen de bibliotheken zelf, maar ook hun brancheorganisatie, POI’s, gemeenten, provincies en de overheid, die allemaal zo hun eigen visie hebben op wat het bibliotheekwerk van het heden én de toekomst inhoudt.

Gerard Meijer & Klaas Gravesteijn

Toch is dat waarvoor Meijer en Gravesteijn zich ook al vóór de ondertekening van het Bibliotheekconvenant inzetten: een samenwerking tussen al die verschillende bibliotheekorganisaties en overheidslagen, waardoor de maatschappelijke opgaven zoals genoemd in het Bibliotheekconvenant bij iedereen op het vizier staan. Meijer doet dat als programmamanager bij SPN, Gravesteijn vanuit zijn positie bij de VOB, waar hij ervoor probeert te zorgen dat iedere bibliotheek aangehaakt blijft.

‘Ik probeer alle geluiden vanuit de achterban op te vangen,’ aldus Gravesteijn. ‘De verscheidenheid binnen het bibliotheekveld is groot, en dus zijn de verschillen tussen hun verlangens, wensen en angsten dat ook. Van groot tot klein, van stad tot platteland, van multifunctionele organisatie tot zelfstandig opererende bibliotheek, van stevig gefinancierd tot functionerend met minimale subsidies – allemaal houden ze hun organisatie op hun eigen manier draaiende. Daarnaast opereren al die bibliotheken niet alleen binnen de context van de wet die vertelt welke functies zij moeten uitvoeren, maar ook binnen hun eigen gemeenten. Hun focus ligt op het bedienen van hun eigen gemeenschap. Daarom proberen we landelijk alles zo goed mogelijk te organiseren, maar houden we ook oog voor het lokale aspect.’

Verscheidenheid en gezamenlijkheid

Het idee van de Netwerkagenda, legt Meijer uit, is om binnen al die verscheidenheid naar gezamenlijkheid te zoeken. ‘Samen lossen we problemen op die we afzonderlijk niet zouden kunnen tackelen. Wanneer elke partij vanuit zijn eigen positie naar het vraagstuk kijkt, ziet hij maar een klein deel. Nu kijken we andersom: wat willen we gezamenlijk bereiken, en wat zou de bijdrage van elk van de partijen kunnen zijn om tot die uitkomst te komen? Er is veel meer wat ons verbindt dan wat ons verdeelt.’

Dat ziet ook Gravesteijn. ‘Het is belangrijk om constant oog voor elkaar te blijven houden. Iedere bibliotheek wil in een bepaald tempo een bepaalde kant op. Het is daarom belangrijk ervoor te zorgen dat we elkaar onderweg niet kwijtraken, ondanks het feit dat de een soms harder gaat dan de ander of een andere zienswijze heeft. Daarom hebben we ook voor deze werkwijze gekozen: we beginnen direct met grote programmateams waarin ook directeuren van lokale bibliotheken zitting nemen, waardoor al direct een breed draagvlak bestaat voor de uitkomst. Dankzij alle inbreng vanuit de praktijk is iedereen vanaf het begin mede-eigenaar van de Netwerkagenda. Nu is het soms even puzzelen op de juiste tekst, maar straks zal het verhaal van de Netwerkagenda zich wel veel gemakkelijker door het land verspreiden.’

Betrokken overheid

Ook vernieuwend is het feit dat de drie overheidslagen – Rijk, provincie en gemeente – al vanaf het begin zo nauw bij het proces betrokken zijn. ‘Alleen vanuit die drie bestuurslagen kunnen we de maatschappelijke opgaven zoals genoemd in het convenant oplossen,’ aldus Meijer. ‘Hun bijdrage is ontzettend belangrijk: niet alleen als subsidiegevers, maar ook omdat zij worstelen met dezelfde maatschappelijke problemen als wij. We krijgen ook terug dat die werkwijze goed bevalt: ondanks het feit dat we direct diep in de inhoud duiken, spreken we dezelfde taal.’

Hoewel de maatschappelijke opgaven zoals genoemd in het convenant – de bevordering van geletterdheid, de vergroting van digitale inclusie en zelfredzaamheid, de inzet op een leven lang ontwikkelen – urgent zijn, voelen de heren gelukkig genoeg ruimte om deze opgaven met aandacht en zorg te lijf te gaan. ‘De uitdaging zit  in het structurele karakter van de vraagstukken. Daarom moeten we, anders dan bij bijvoorbeeld een coronacrisis, ook de tijd nemen om na te denken over hoe we kunnen bijdragen aan oplossingen die op de langere termijn werken,’ legt Meijer uit.

Hoewel het aantal organisaties waarmee op dit moment rondom de Netwerkagenda wordt samengewerkt al niet gering is, is binnen de uitvoering ervan natuurlijk ook een grote rol weggelegd voor andere partners van de bibliotheek, zoals scholen en welzijnsorganisaties. ‘Ten opzichte van hen moeten we ons versterkend opstellen,’ aldus Gravesteijn. ‘De bibliotheek is belangrijk, maar ons aanbod werkt pas echt wanneer we de samenwerking opzoeken. Anders blijven we eilandjes die onbewust en ongewild concurreren met bestaande initiatieven.’

Gordijnen open

Daarom moeten de gordijnen niet te lang gesloten blijven, concludeert Gravesteijn. ‘We moeten gauw de boer op met deze Netwerkagenda, zodat het geen bibliotheekproject blijft, maar een verhaal dat breed gedragen wordt. We hebben als bibliotheeksector de taak ons in te zetten voor de functies die ons volgens de wet zijn gegeven.’

Dit is het moment om daarmee aan de slag te gaan, voelt Meijer. ‘We hebben lang geleefd in een wetteloos tijdperk. Pas sinds 2015 vertelt een wet ons dat wij verantwoordelijk zijn voor de persoonlijke ontwikkeling van de Nederlandse burger. Nu deze wet positief is geëvalueerd, weten we dat we op dezelfde voet verder kunnen, met enkele aanpassingen in de uitvoeringen. Uit dat momentum is deze Netwerkagenda voortgekomen: we voelen nu de samenhang binnen het netwerk die het mogelijk maakt deze stappen te zetten. Nu we vanuit de wet de eerste stappen hebben gezet, realiseren we ons hoeveel beter we nog kunnen.’

Daarnaast heeft de Netwerkagenda de tijdgeest mee, beweert Meijer. ‘Burgers hebben behoefte aan een plek waar ze veilig bij elkaar kunnen komen, zonder verplichtingen, om zich al dan niet in samenwerking te ontwikkelen. Dankzij de Netwerkagenda kunnen we die rol nog voortvarender oppakken.’