Informatie voor het bibliotheeknetwerk

Samenwerking met het primair onderwijs 2021-2022

  1. Inleiding

Beleidskader bij dit onderzoek

Zorgen om leesvaardigheden jongeren

De afgelopen jaren laten verschillende onderzoeken een dalende leesvaardigheid, leesmotivatie en leesplezier zien. Zo blijkt uit het internationale PISA-onderzoek dat bijna een kwart van de Nederlandse 15-jarige leerlingen niet leest op het niveau dat nodig is om goed te kunnen functioneren op school of in de maatschappij (Gubbels et al., 2019). Onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs (2022b) toont aan dat de leesvaardigheid van leerlingen in het basisonderwijs in 2022 is gedaald ten opzichte van tien jaar geleden. In het speciaal basisonderwijs (sbo) is deze daling nog iets sterker dan in het basisonderwijs (bo) (Inspectie van het Onderwijs, 2022b). 

Aanmoediging tot lezen

Om het tij te keren, adviseerden de Onderwijsraad en de Raad van Cultuur in 2019 een gecombineerde en preventieve aanpak. De Onderwijsraad en de Raad voor Cultuur riepen daartoe op tot een Leesoffensief. Het Leesoffensief draagt bij dat zoveel mogelijk kinderen via de bibliotheek toegang krijgen tot boeken en programma’s en activiteiten op school en in de bibliotheek. Ook is het doel om kinderen aan te moedigen om te lezen en om zelf aan de slag te gaan met taal (Van Engelshoven & Slob, 2019). Ook in de Vervolgaanpak Laaggeletterdheid 2020-2024 blijft leesbevordering bij kinderen een belangrijk onderdeel van het bestrijden en voorkomen van laaggeletterdheid. In deze aanpak heeft de Rijksoverheid extra geld uitgetrokken om ouders te bereiken die moeite hebben met taal (Van Engelshoven et al., 2019). Daarnaast is in het regeerakkoord 2022 een ‘Masterplan basisvaardigheden’ aangekondigd. Met dit plan investeert het kabinet structureel 1 miljard euro op jaarbasis om de basisvaardigheden van leerlingen in het onderwijs te versterken. Deze basisvaardigheden zijn rekenen/wiskunde, taal, burgerschap en digitale geletterdheid. (Inspectie van het Onderwijs, 2022a). 

De coronaperiode waarin jongeren minder naar school konden heeft onderwijsvertraging veroorzaakt. Daarom is in 2021 het Nationaal Programma Onderwijs gestart in de hoop deze vertraging te ondervangen. Het ministerie van OCW stelt hiervoor de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 een bedrag van in totaal 5,8 miljard euro beschikbaar voor het primair en het voorgezet onderwijs en voor gemeenten (OCW, 2021).

In het actieplan Effectief onderwijs in begrijpend lezen (2019) beschrijft de Taalunie vijf knelpunten waardoor het niveau van begrijpend lezen is gedaald en worden aanbevelingen gedaan voor een effectieve aanpak van leesbegrip en leesmotivatie. Daarnaast is in 2020 op initiatief van de PO-raad, de VO-raad en het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) de Kennistafel Effectief Leesonderwijs opgericht om kennisuitwisseling tussen onderzoekers, onderwijsexperts van kennisinstituten en professionals uit de praktijk te stimuleren. 

Extra impuls voor lees- en taalstimulering

Als onderdeel van het Leesoffensief is in het Bibliotheekconvenant 2020-2023 vastgelegd dat bibliotheken een extra impuls geven aan lees- en taalstimulering. Bovenop het bestaande aanbod rondom leesbevordering worden aanvullende activiteiten vanuit het Leesoffensief aangeboden. Met deze activiteiten richten bibliotheken zich op 3 specifieke doelgroepen die extra hulp nodig hebben: jongens, leerlingen op het vmbo en leerlingen met een meertalige achtergrond (KB et al, 2021). In 2021 hebben 119 bibliotheken subsidie ontvangen om hun collectie, expertise en activiteiten voor deze doelgroepen uit te breiden (KB, 2021).

Lezen binnen en buiten het klaslokaal

Om de dalende trend in leesvaardigheid te keren zijn er veranderingen nodig in het leesonderwijs op scholen, én in het leesgedrag van de kinderen thuis. Kinderen die veel lezen in de vrije tijd hebben profijt van regelmatig lezen; zij hebben een hogere leesvaardigheid (Inspectie van het Onderwijs, 2022b). Een groeiende leesvaardigheid geeft een gevoel van competentie en helpt de leesmotivatie in stand te houden. Daardoor blijven kinderen lezen en hebben ze daar steeds meer profijt van (Mol, 2022). Zie ook de Leesmonitor voor meer informatie over vrij lezen.

De scholen bieden leesonderwijs dat ervoor zorgt dat kinderen gemotiveerd raken om te willen lezen en daardoor goed leren lezen. De bibliotheek ondersteunt zowel kinderen als leerkrachten hierbij door hen wegwijs te maken in de wereld van boeken, en door ondersteuning te bieden bij het vormen van het leesbeleid op scholen. Om de leescultuur thuis te bevorderen is het belangrijk dat de boeken op school mee mogen naar huis. Kinderen die thuis de beschikking hebben over een breed en gevarieerd aanbod aan boeken, presteren namelijk beter op school (Notten, 2012), en zijn bovendien leesvaardiger. De samenwerking tussen basisscholen en bibliotheken is dus van groot belang om kinderen een extra impuls te geven rondom lezen zowel binnen als buiten het klaslokaal. 

Structurele aandacht nodig voor digitale vaardigheden 

Naast de geletterde samenleving wordt met het Bibliotheekconvenant ook ingezet op participatie in de informatiesamenleving. Onze samenleving digitaliseert razendsnel. In het dagelijks leven van jongeren, zo ook op school zijn digitale media niet meer weg te denken. De Monitors Digitale Geletterdheid voor het primair en voortgezet onderwijs 2021 geven aan dat er structurele aandacht nodig is voor digitale geletterdheid in het onderwijs. Het gaat bijvoorbeeld om vaardigheden als kritisch denken, creatief denken, problemen kunnen oplossen, ict-basisvaardigheden, informatievaardigheden, mediawijsheid en computational thinking (het procesmatig (her)formuleren van problemen op een zodanige manier dat het mogelijk wordt om met computertechnologie een probleem op te lossen) (Mediawijsheid, 2019). Leerkrachten op de basisscholen geven de digitale vaardigheden van leerlingen gemiddeld een 6,0. Bij basisscholen met 75% of meer achterstandsleerlingen ligt dit gemiddelde nog lager, namelijk een 5,1 (ECP, 2021). 

Beheersing van de basisvaardigheden is essentieel

De beheersing van de basisvaardigheden door leerlingen neemt af (Inspectie van het Onderwijs, 2022a). In de Kamerbrief Masterplan basisvaardigheden wordt gesteld dat te veel leerlingen het onderwijs verlaten zonder goede beheersing van de basis­vaardig­heden – rekenen/wiskunde, taal, burgerschap en digitale geletterdheid. Het kabinet wil samen met het onderwijs­veld deze terug­gang keren en ervoor zorgen dat de basis­vaardigheden van leerlingen verbeteren. In het regeerakkoord 2022 werd een ‘Masterplan basisvaardigheden’ aangekondigd. In mei 2022 zijn de hoofdlijnen van dit masterplan gepresenteerd. Met dit plan investeert het kabinet structureel 1 miljard euro op jaarbasis om de basisvaardigheden van leerlingen in het onderwijs te versterken. Voor scholen die aan de slag willen met het verbeteren van de basisvaardigheden, komt op korte en langere termijn ondersteuning beschikbaar. Zo konden scholen tot oktober 2022 subsidie ­aanvragen voor het inzetten van effectieve interventies, die zijn gericht op het verbeteren van de resultaten op de basisvaardigheden (VO-raad, 2022). In maart 2023 is een nieuwe subsidieregeling voor de verbetering van basisvaardigheden opengesteld. Ambitie is om de financiële middelen te verdelen onder de scholen die dat het meest nodig hebben. De toekenning van de subsidie vindt daarom bij de nieuwe regeling niet langer plaats op basis van een loting, maar op basis van de CBS-indicator voor onderwijsachterstanden (Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen, 2023; VO-raad, 2023). Aanvullend op de subsidie kunnen scholen een beroep doen op een basisteam. De basisteams zijn een belangrijk onderdeel van het Masterplan basisvaardigheden. Deze bestaan vooral uit publieke partijen, zoals bibliotheken, en worden door het ministerie van OCW per school samengesteld aan de hand van de specifieke situatie en hulpvraag van de school. Het basisteam helpt de school bij het maken van een plan om de basisvaardigheden te verbeteren. Ook ondersteunt een basisteam de school bij de uitvoering en verantwoording van het plan (Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen, 2023).

Programma’s rondom lezen en digitale geletterdheid

De bibliotheek is vanaf de vroegste jeugd een essentiële partner bij het stimuleren van het lezen en het verbeteren van de digitale vaardigheden. De bibliotheken doen dit op grond van de algemene wettelijke bibliotheektaken, maar ook via speciale programma’s. 

De programma’s rondom leesbevordering zijn bewezen effectief: ze vergroten de leesmotivatie van kinderen, zodat zij vaker gaan lezen en meer plezier krijgen in lezen en vaardiger worden in lezen (Stichting Lezen, 2023). Als onderdeel van het programma Kunst van Lezen hebben Stichting Lezen en de KB de programma’s BoekStart en de Bibliotheek op school praktisch verbonden aan De doorgaande leeslijn. Deze aanpak begint met BoekStart, in de vorm van het BoekStartkoffertje, BoekStart in de kinderopvang en de BoekStartcoach. Kinderen worden vervolgens middels de Bibliotheek op school voorzien in vormen van leesbevordering voor primair, voortgezet en beroepsonderwijs (Van Montfoort & Wassing, 2020). 

De openbare bibliotheek is één van de partijen die samen met het onderwijs van jongs af aan investeert in digitale geletterdheid. Dit  om te voorkomen dat opgroeiende kinderen als volwassenen niet mee kunnen doen en profiteren van digitalisering (VOB et al, 2020). Het landelijke programma Digitale geletterdheid jeugd is ingericht om jongeren van 0 tot 18 jaar digitaal vaardiger en mediawijzer te maken. Door mee te doen met landelijke campagnes als Media Ukkie Dagen, Week van de Mediawijsheid, Safer Internet Day en MediaMasters brengen bibliotheken digitale geletterdheid bij de jeugd, ouders en professionals breder onder de aandacht. 

Netwerken

Daarnaast zijn lokale en landelijke netwerken van groot belang om partijen op het terrein van leesbevordering, digitale geletterdheid en onderwijs samen te brengen, met de lokale bibliotheek als spil en aanvoerder van het netwerk. 

Met de programmalijn rondom de gezinsaanpak bijvoorbeeld zet Kunst van Lezen zich in voor leesbevorderingsactiviteiten voor taalarme gezinnen. Hierbij komt de verbinding tussen preventie en curatie van laaggeletterdheid de komende jaren centraler te staan en wordt de rol van gemeenten groter; zij gaan eind 2024 de regie voeren over de aanpak van laaggeletterdheid (Van Montfoort & Wassing, 2020). Om gemeenten voor te bereiden op de regierol van de gezinsaanpak besloot het ministerie van OCW dat er een aanpak voor gemeenten moest worden ontwikkeld. Stichting Lezen, de KB en Stichting Lezen en Schrijven ontwikkelden een stappenplan voor het project Gemeentelijke Gezinsaanpak Geletterdheid. Het stappenplan geeft gemeenten concrete handvatten om de gezinsaanpak vorm te geven en hierop regie te voeren. Daarnaast hebben Rijnbrink, De Voorleeshoek, SPN, Stichting Lezen en de KB de handen ineen geslagen met openbare bibliotheken voor het ontwikkelproject ‘Leesbevordering in meertalige gezinnen’. In 2022 is een pilot gestart met 10 bibliotheken die via de thuistaal de leesopvoeding in meertalige gezinnen willen helpen versterken. De pilot draagt bij aan de maatschappelijke opgave van een geletterde samenleving (KB, 2022).

Een belangrijk netwerk dat bibliotheken kunnen gebruiken op het terrein van digitale geletterdheid is Netwerk Mediawijsheid. Dit is een landelijk netwerk met als kernpartners Beeld & Geluid, Kennisnet, ECP en de KB en duizend kleinere partners. Samen werken zij aan een Nederland waarin iedereen mediawijs is – of bezig is dat te worden.

De bibliotheek in coronatijd

In 2020 verspreidde het coronavirus zich door Nederland en veroorzaakte het virus meerdere lockdowns. Ook in 2021 had de bibliotheeksector te kampen met sluitingen en maatregelen. In december 2020 ging Nederland in lockdown en duurde het tot eind april 2021 voordat bibliotheken hun deuren weer mochten openen. Op 28 april 2021 mochten bibliotheken weer open voor cursussen. In de loop van het jaar mochten de deuren van de bibliotheek – en van de rest van de samenleving – steeds verder open. Eind september mochten bibliotheken hun deuren weer volledig openen, maar half november werden er weer nieuwe coronamaatregelen ingevoerd. Eind november werden nog strengere maatregelen genomen: de bibliotheek moest na 8 uur ’s avonds helemaal dicht. Pas eind januari 2022 werden deze beperkte openingstijden weer losgelaten. 

Het dossier Bibliotheekstatistiek 2021 maakt inzichtelijk welk effect de coronamaatregelen in 2021 hebben gehad op de – reguliere – dienstverlening van bibliotheken. In vergelijking met 2020 zijn in 2021 meer activiteiten op het gebied van educatie en ontwikkeling georganiseerd. Ook werden in 2021 weer meer activiteiten in fysieke vorm aangeboden en minder in andere vormen, zoals telefonisch of online (Van de Burgt & Klaren, 2022). 

In het dossier De bibliotheek in coronatijd lees je meer over het aanpassingsvermogen van de bibliotheken en de coronaproof dienstverlening en vertellen bibliotheekdirecteuren over het reilen en zeilen van de bibliotheek in coronatijd. In deze rapportage gaan we onder meer specifiek in op de aangepaste dienstverlening voor het primair onderwijs in coronatijd. 

Achtergrond onderzoek

Sinds 2015 voert de KB onderzoek uit naar de samenwerking tussen openbare bibliotheken en het primair onderwijs. In 2015 is met deze enquête voor het eerst de stand van zaken geïnventariseerd. In lijn met de ontwikkeling van de programma’s van Kunst van Lezen is de vragenlijst in de daarop volgende metingen jaarlijks geoptimaliseerd.

In deze rapportage worden de belangrijkste bevindingen over de dienstverlening van bibliotheken in het schooljaar 2021-2022 gepresenteerd. Deze resultaten hebben tenzij anders vermeld betrekking op 135 van de 137 benaderde (basis)bibliotheken, een respons van 99%. Hoewel de bibliotheken onderling sterk van omvang en karakter verschillen, kunnen op hoofdniveau uitspraken voor de totale populatie worden gedaan.

De resultaten van de meting over het schooljaar 2021-2022 worden in deze rapportage grafisch weergegeven. Interessante verschillen en overeenkomsten met voorgaande (school)jaren en tussen diverse typen bibliotheken, gebaseerd op het aantal inwoners in het werkgebied van de bibliotheek, worden waar mogelijk tekstueel benoemd of grafisch gepresenteerd.
 

Afbakening primair onderwijs

In deze rapportage worden de resultaten voor het totale primair onderwijs gepresenteerd: het basisonderwijs (bo), het speciaal basisonderwijs (sbo) en het speciaal onderwijs. Hiervoor wordt de volgende indeling van het ministerie van OCW gehanteerd. 

In Nederland valt het primair onderwijs uiteen in vier typen: 

  • Basisonderwijs (bo), voor kinderen van 4 tot en met 12 jaar;
  • Speciaal basisonderwijs (sbo), voor kinderen van 4 tot en met 12 jaar voor wie orthopedagogische en orthodidactische hulp nodig is en die daarom op een speciale school basisonderwijs moeten volgen;
  • Speciaal onderwijs (so), voor kinderen van 4 tot en met 12 jaar met een handicap, stoornis of ziekte, die speciale zorg nodig hebben;
  • Voortgezet speciaal onderwijs (vso), voor kinderen van 12 tot en met 20 jaar met een handicap, stoornis of ziekte, die speciale zorg nodig hebben. Volgens het ministerie van OCW telt deze groep mee als deelnemer aan het primair onderwijs. Qua leeftijd valt deze categorie echter niet binnen het primair onderwijs als doelgroep van de bibliotheek. Deze is daarom niet als doelgroep in deze rapportage meegenomen, maar in de rapportage over de samenwerking met het voortgezet onderwijs [1]

In de vragenlijst van dit onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen basisonderwijs en speciaal (basis)onderwijs (sbo, so en (v)so). Daarnaast wordt de samenwerking uitgedrukt in aantal schoollocaties of -vestigingen. Dit zijn alle hoofd- en nevenvestigingen met een uniek zescijferig BRIN-nummer. Wanneer wordt gesproken over scholen, worden hiermee locaties en geen organisaties bedoeld.

[1] Een deel van de locaties voor speciaal onderwijs biedt zowel primair als voortgezet onderwijs aan. Deze locaties zijn zowel in de rapportage voortgezet onderwijs als rapportage primair onderwijs meegenomen.