Informatie voor het bibliotheeknetwerk

Samenwerking met het voortgezet onderwijs 2022-2023

  1. Beleidskader

Beleidskader bij dit onderzoek

Zorgen om leesvaardigheid

De afgelopen jaren laten verschillende onderzoeken een daling in de leesvaardigheid van jongeren zien. Zo blijkt uit het internationale PISA-onderzoek dat de leesvaardigheid van Nederlandse 15-jarige scholieren in 2022 verder achteruit is gegaan. Een derde van de 15-jarige leerlingen leest niet op het niveau dat nodig is om goed te kunnen functioneren op school, en loopt volgens PISA zelfs het risico laaggeletterd het onderwijs te verlaten (Meelissen et al., 2023).

Grafiek PISA.

Bron: Meelissen et al., 2023. 

Hoe ouder, hoe minder leesplezier

Ongeveer de helft van de jongeren leest wekelijks in de vrije tijd, bijvoorbeeld een boek, krant, tijdschrift of nieuwssite (Waterloo et al., 2019; Wennekers et al., 2018, Nagelhout et al., 2023). Naarmate zij ouder worden, lezen zij minder. Van de 12- tot 15-jarigen en 16- tot 19-jarigen leest respectievelijk 45% en 44% wekelijks een boek (Nagelhout et al., 2023). Met de overgang van de basisschool naar de middelbare school neemt ook het leesplezier af (Huysmans, 2013; Van Tuijl & Gijsel, 2015; DUO Onderwijsonderzoek & Advies, 2017; Heesterbeek & Hartkamp, 2020). Waar 74% van de basisschoolleerlingen het leuk vindt om boeken te lezen (Heesterbeek & Hartkamp, 2022), geldt dit in het voortgezet onderwijs nog voor 39% van de leerlingen (Hartkamp, 2022). Van de 12- tot 15-jarigen leest 57% omdat het van school moet en vindt 40% lezen saai (Nagelhout et al., 2023).

Ook de tijd die wordt besteed aan lezen daalt onder jongeren. Over de periode 2013-2018 is de leestijd met bijna 40% gedaald tot een gemiddelde leestijd van 14 minuten per dag (Schaper et al., 2019). Jongeren zien het belang van lezen in, maar zien het niet altijd als een vorm van ontspanning. Als reden om niet te lezen/naar de bibliotheek te gaan geven ze vaak aan het te druk te hebben of afleiding of een gebrek aan concentratie te ervaren (Brood et al., 2023; Nagelhout et al. 2023). 

Aanmoediging tot lezen

Om het tij te keren, adviseerden de Onderwijsraad en de Raad van Cultuur in 2019 een gecombineerde en preventieve aanpak. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap riep daarom op tot een Leesoffensief. Het doel hiervan is dat zoveel mogelijk kinderen en jongeren via de bibliotheek toegang krijgen tot boeken en dat programma’s en activiteiten op school en in de bibliotheek kinderen aanmoedigen om te lezen en om zelf aan de slag te gaan met taal (Van Engelshoven & Slob, 2019). Ook in de Vervolgaanpak Laaggeletterdheid 2020-2024 blijft leesbevordering bij kinderen een belangrijk onderdeel van het bestrijden en voorkomen van laaggeletterdheid. In deze aanpak heeft de Rijksoverheid extra geld uitgetrokken om ouders te bereiken die moeite hebben met taal (Van Engelshoven et al., 2019). Verder hebben leesbevordering, leesmotivatie en leeservaring ook aandacht en een plek gekregen in de nieuwe conceptkerndoelen van het schoolvak Nederlands, die in september 2023 zijn voorgelegd aan het ministerie van OCW (Prenger & Pleumeekers, 2023).

Extra impuls voor lees- en taalstimulering

Als onderdeel van het Leesoffensief is in de Netwerkagenda 2021-2023 vastgelegd dat bibliotheken een extra impuls geven aan lees- en taalstimulering. Met de aanvullende activiteiten die hieruit voortkomen – bovenop het bestaande aanbod rondom leesbevordering – richten bibliotheken zich op 3 specifieke doelgroepen die extra hulp nodig hebben: jongens, leerlingen op het vmbo en leerlingen met een meertalige achtergrond (KB et al., 2021). In 2021 hebben 119 bibliotheken subsidie ontvangen om hun collectie, expertise en activiteiten voor deze doelgroepen uit te breiden (KB, 2021).

Vrijetijdslezen ook na de basisschoolperiode van groot belang

Voor de leesontwikkeling van jongeren van 12 tot en met 18 jaar is naast lezen op school ook het lezen in de vrije tijd essentieel. Kinderen die veel lezen in hun vrije tijd hebben daar profijt van: ze hebben een beter tekstbegrip, betere woordenschat en leesmotivatie (Bus et al., 1994; Kortlever & Lemmens, 2012; Krashen, 2004; Mol & Bus, 2011). Ook na de basisschoolperiode blijft vrijetijdslezen belangrijk: de relatie tussen vrijetijdslezen en alle taal- en leesvaardigheden blijft aanwezig tot in de volwassenheid. Wat betreft de woordenschat is de relatie met vrijetijdslezen zelfs sterker voor adolescenten dan voor basisschoolleerlingen. Ook voor het technisch leesniveau wordt het verband met vrijetijdslezen sterker naarmate de leerlingen ouder worden (Mol & Bus, 2011).

Speciaal voor de doelgroep (v)mbo-leerlingen is in schooljaar 2023-2024 de LEES-app gelanceerd. Deze app biedt de doelgroep een laagdrempelige toegang tot een aantrekkelijke collectie van circa 100 e-books en luisterboeken. De app en de digitale collectie in deze app vormen nadrukkelijk een middel voor uitbreiding en ondersteuning van de dienstverlening van de leesconsulenten van de Bibliotheek op school (dBos) (KB, 2023).

Digitaal geletterde jeugd

Naast de geletterde samenleving wordt met de Netwerkagenda ook ingezet op participatie in de informatiesamenleving. Solliciteren, studeren, winkelen, contacten onderhouden, gezondheidsinformatie opzoeken, bankieren, belastingaangifte doen: het kan – en móét in steeds grotere mate - allemaal digitaal. 

Hoewel volgens cijfers van het CBS een groot deel van de jongeren tussen 12 en 25 jaar minstens digitale basisvaardigheden bezit – en 58% méér dan digitale vaardigheden (CBS, 2023) – laten recente onderzoeken zien dat er op het gebied van digitale geletterdheid bij jongeren verbetering mogelijk is. Zo beoordeelden ruim drieduizend leerkrachten de digitale geletterdheid van hun leerlingen op vier onderdelen: praktische ICT-vaardigheden, digitale informatie-vaardigheden, mediawijsheid en computational thinking. Gemiddeld scoren de leerlingen een 5,0 op een schaal van 0 tot 10, waarbij dit cijfer tussen de verschillende schooltypen varieert van een 3,5 tot 6,3 (DUO Onderwijsonderzoek & Advies, 2023b). 

De mate van mediawijsheid werd daarnaast ook onderzocht door Kantar Public in het rapport Mediawijsheid in 2023. Zes op de tien jongeren tussen 13 en 17 jaar worden volgens dit onderzoek gezien als onvoldoende mediawijs. Een meerderheid van de jongeren is in staat apparaten en software te bedienen, toepassingen te exploreren en informatie te vinden. In het discussiëren over media en het verbinden via media scoort echter meer dan de helft van de jongeren onvoldoende (Van der Harst et al., 2023). 

De openbare bibliotheek is één van de partijen die samen met het onderwijs van jongs af aan investeert in digitale geletterdheid om te voorkomen dat opgroeiende kinderen als volwassenen niet mee kunnen doen aan en niet profiteren van digitalisering. Het landelijke programma Digitale geletterdheid jeugd is ingericht om jongeren van 0 tot 18 jaar digitaal vaardiger en mediawijzer te maken. Door mee te doen met landelijke campagnes als Week van de Mediawijsheid, de Media Ukkie Dagen en Safer Internet Day, en programma’s als Digitaal Burgerschap, Werken met de e-overheid (Digisterker) en Digidingen-desk (informatiepunt voor jongeren) brengen bibliotheken digitale geletterdheid bij jeugd, ouders en professionals breder onder de aandacht.  

Beheersing van de basisvaardigheden is essentieel

De beheersing van de basisvaardigheden door leerlingen neemt af (Inspectie van het Onderwijs, 2022). In de Kamerbrief Masterplan basisvaardigheden wordt gesteld dat te veel leerlingen het onderwijs verlaten zonder goede beheersing van de basis­vaardig­heden – rekenen/wiskunde, taal, burgerschap en digitale geletterdheid. Het kabinet wil samen met het onderwijs­veld deze terug­gang keren en ervoor zorgen dat de basis­vaardig­heden van leerlingen verbeteren. In het regeerakkoord 2022 werd een ‘masterplan basisvaardigheden’ aangekondigd. In mei 2022 zijn de hoofdlijnen van dit masterplan gepresenteerd. Met dit plan investeert het kabinet structureel 1 miljard euro op jaarbasis om de basisvaardigheden van leerlingen in het onderwijs te versterken. Sinds de start van het masterplan zijn 3.000 scholen met de subsidie voortvarend aan de slag gegaan. Zij tellen samen 835.000 leerlingen, een derde van het totale aantal leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs (Rijksoverheid, 2023). Tegelijkertijd gaan bibliotheken intensiever samenwerken met scholen om het leesplezier - en daarmee de leesvaardigheid van leerlingen - te verbeteren. Bibliotheken krijgen als onderdeel van het masterplan 74 miljoen euro om met nog meer scholen en kinderdagverblijven te gaan samenwerken (Uslu & Paul, 2023). Dankzij dit geld kunnen de komende drie jaar 1.800 kinderdagverblijven en scholen in het primair onderwijs, het vmbo, het praktijkonderwijs en het beroepsonderwijs voor het eerst gaan samenwerken met de bibliotheek. Dit gebeurt via de programma’s BoekStart en de Bibliotheek op school. Daarnaast kunnen ruim 6.000 kinderopvanglocaties en scholen hun bestaande samenwerking met de lokale bibliotheek verder uitbouwen. 

Programma’s rondom lezen 

De bibliotheek is vanaf de vroegste jeugd een essentiële partner bij het stimuleren van het lezen. De bibliotheken doen dit op grond van de algemene wettelijke bibliotheektaken, maar ook via speciale programma’s. 

De programma’s rondom leesbevordering zijn bewezen effectief: ze vergroten de leesmotivatie van kinderen, zodat zij vaker gaan lezen, er meer plezier in krijgen en er vaardiger in worden (Stichting Lezen, 2023). Als onderdeel van het programma Kunst van Lezen hebben Stichting Lezen en de KB de programma’s BoekStart en de Bibliotheek op school praktisch verbonden aan De doorgaande leeslijn. Deze aanpak begint met BoekStart, in de vorm van het BoekStartkoffertje, BoekStart in de kinderopvang en de BoekStartcoach. Kinderen worden vervolgens middels de Bibliotheek op school voorzien in vormen van leesbevordering voor primair, voortgezet en beroepsonderwijs (Van Montfoort & Wassing, 2020). 

De coronacrisis voorbij

Op 15 maart 2020 werd bekendgemaakt dat de bibliotheken hun deuren moesten sluiten om verdere verspreiding van het coronavirus te voorkomen. Al snel volgde de eerste lockdown en ontstonden de eerste initiatieven om zowel bibliotheekleden als niet-leden ook in coronatijd aan het lezen te houden en van informatie te blijven voorzien. In mei 2020 mochten bibliotheken weer open, maar vanaf november 2020 tot en mei 2021 waren de bibliotheken grotendeels gesloten. In september 2021 konden de bibliotheken na maanden van beperkte opening hun deuren weer wijd openzetten en werden vrijwel alle coronamaatregelen geschrapt. Die blijdschap was echter van relatief korte duur: in november 2021 werden de maatregelen weer aangescherpt en in december werd een nieuwe lockdown afgekondigd. In januari 2022 werden de eerste maatregelen versoepeld. Op 10 januari gingen het basis- en voortgezet onderwijs en de BSO’s weer open en op 26 januari 2022 werden meer versoepelingen doorgevoerd. Zo werden ook de beperkte openingstijden van de bibliotheken weer losgelaten. De laatste landelijke coronamaatregelen, zoals het dragen van een mondkapje in het openbaar vervoer en het thuiswerkadvies, vervielen uiteindelijk in maart 2022.

Het dossier Bibliotheekstatistiek 2022 maakt inzichtelijk welk effect de coronamaatregelen de afgelopen jaren hebben gehad op de - reguliere - dienstverlening van de bibliotheken, en hoe het bibliotheeknetwerk zich in 2022 herstelde. Zo verwelkomden bibliotheken in 2022 meer leden en bezoekers, en organiseerden zij meer activiteiten dan pre-corona (Van de Burgt & Klaren, 2023).

In het dossier De bibliotheek in coronatijd lees je meer over het aanpassingsvermogen van de bibliotheken en de coronaproof dienstverlening en vertellen bibliotheekdirecteuren over het reilen en zeilen van de bibliotheek in coronatijd. In deze rapportage gaan we onder meer specifiek in op de aangepaste dienstverlening voor het voortgezet onderwijs in coronatijd. 

Achtergrond onderzoek

Sinds 2017 voert de KB onderzoek uit naar de samenwerking tussen openbare bibliotheken en het voortgezet onderwijs. Destijds is met deze enquête voor het eerst de stand van zaken geïnventariseerd, in aanvulling op het onderzoek naar de dienstverlening voor het primair onderwijs, dat sinds 2015 wordt uitgevoerd. In lijn met de ontwikkeling van de programma’s is de vragenlijst over de samenwerking met het voortgezet onderwijs in de daarop volgende jaren geoptimaliseerd voor de verdere monitoring. 

In deze rapportage worden de belangrijkste bevindingen over de dienstverlening van bibliotheken in het schooljaar 2022-2023 gepresenteerd. Deze resultaten hebben tenzij anders vermeld betrekking op 131 van de 132 (basis)bibliotheken met vo-scholen in hun werkgebied. Hoewel de bibliotheken onderling sterk van omvang en karakter verschillen, kunnen op hoofdniveau uitspraken voor de totale populatie worden gedaan.

De resultaten van de meting over het schooljaar 2022-2023 worden in deze rapportage grafisch weergegeven. Interessante verschillen en overeenkomsten met voorgaande (school)jaren, tussen onderwijsvormen en tussen bibliotheken van verschillende omvang worden waar mogelijk benoemd of grafisch gepresenteerd.

Afbakening voortgezet onderwijs

Het voortgezet onderwijs (vo) in Nederland volgt op het primair onderwijs (po) en bereidt leerlingen voor op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) of het hoger onderwijs (hbo en universitair onderwijs). 

In Nederland valt het voortgezet onderwijs uiteen in vier typen:

  • Praktijkonderwijs, bedoeld voor leerlingen van 12 tot 20 jaar, zonder vaste opleidingsduur;
  • Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), dat 4 jaar duurt;
  • Hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), dat 5 jaar duurt;
  • Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), dat 6 jaar duurt.

Het voortgezet speciaal onderwijs (vso) valt volgens de definitie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) niet onder het voortgezet onderwijs, maar onder het primair onderwijs. Toch is deze onderwijsvorm in dit onderzoek vanaf meting 2019-2020 in het voortgezet onderwijs ondergebracht, aangezien het voortgezet speciaal onderwijs qua leeftijd wel aansluit bij het bibliotheekaanbod voor het voortgezet onderwijs. Bij het vergelijken van de resultaten met de schooljaren vóór 2019-2020 is daarom enige voorzichtigheid geboden.